7 Maart 2019

Maarten

Samen lopen we naar mijn huis. De boerderij met het hoge dak. De kamer met het acht meter hoge plafond, voelt vreemd. We zwijgen.

Koud, veel te koud is het. We houden elkaar vast. De afwezigheid van Maarten is onwerkelijk aanwezig. Nog nooit ben ik me zo bewust geweest van de begrensdheid van mijn lichaam. Ik sta op een plek die thuis is en toch sta volledig op de verkeerde plek. In mijn gevoel rek ik mijn hart op om bij Maarten te zijn.

“Waar is Maarten nu”, vraag ik. “In Maastricht, we kunnen daar om negen uur terecht”. “Als dat om negen uur kan, kan dat ook nu” zeg ik. We knikken allemaal en vertrekken. Ik zie nog het vreemde licht voor me dat ik zag rond de kerktoren. Mijn gedachten zijn volledig helder en ik voel me onwezenlijk kalm. Achterin zitten Minne en Janneke die ieder uit een eigen raam kijken. Ieder in de eigen wereld, allemaal met ons eigen verdriet. Harolds handen omklemmen het stuur. Hij zal ons veilig brengen waar we moeten zijn. We hebben niets te zeggen.

De pijn in mijn lijf voelt inmiddels ondragelijk. Mijn buik lijkt volledig in verzet tegen alles wat waar is. Mijn mooie, lieve, bijzondere zoon, dood. De misselijkheid, de pijn de tranen die in stromen over mijn wangen rollen, ik ben me er bewust van zonder me er tegen te verzetten. Is het de pijn die ondragelijk is of de gedachte in mijn hoofd? Ik weet het niet. Nog nooit ben ik zo volledig aanwezig geweest bij wat er is. Ik kan me de geur herinneren van de auto, en de bijzondere kleur die ik door de koplampen zie. Ik voelde de hartslag in mijn keel en voel nog hoe de lucht bij mijn neus naar binnen stroomt. Adem in en adem uit…We zijn op weg naar Maarten en Maarten is dood.

Als we bij het ziekenhuismortuarium aankomen komt er net een uitvaatondernemer met een lichaam in een body bag naar buiten. Een golf van afschuw gaat hoorbaar door de kinderen heen. “Nee nee, dat is Maarten niet zeg ik…”We wachten, ik voel de onrust van de kinderen. “We zijn net lammeren voor de slachtbank,” denk ik. Mijn hart huilt om de kinderen die dit moeten meemaken. Tegelijk realiseer ik me dat wij als ouders dit ook meemaken. Dat ik als moeder dit meemaak. Dat ik dit meemaak.

We gaan naar binnen, de man achter de balie komt naar ons toe en zegt onhandig, “Hij is net klaar de kaarsen zijn nog niet aan”. Waar is hij vragen we, en kaarsen zijn niet nodig zeg ik nog. De man wijst naar een deur.” Zien we hem direct als de deur open gaat vraag ik nog,” Ja, knikt de man. Ik open de deur.

In de hoek van de kamer staat een gedrocht van een houten opbaar bed, met een soort gouden vleugels aan de achterkant. Pilaren met kaarsen… het is werkelijk bizar. Het hele tafreel is bizar…Op het bed ligt mijn kind. In zijn motorpak dat kapot geknipt is aan de voorkant. Ik voel een enorme golf kots naar boven komen, ik slik het in.” Ach lieverd toch” zeg ik, “We zijn er…”. Om me heen hoor ik gillen en huilen. Ik registreer de rust die zich weer meester maakt van mij en ga naast hem zitten op de rand van het bed. Ik zeg “Om jou hoef ik me nooit meer zorgen te maken” en streel zijn hoofd, zijn wangen zijn handen. Ik kus hem en zeg jongens, hij is nog een beetje warm. Ik hoor mijn stem en de wonderlijke klank daarvan, de gekke onbelangrijke dingen die ik zeg alsof ik het niet ben.

Dit beeld zal ik nooit meer kwijtraken. Het dichtgenaaide gat in zijn voorhoofd, de schemer van rood door zijn haren. Zijn witte knokige jonge handen. Onze mooie man ligt hier. Zinloos, kansloos…verloren en dood. Wat zou ik graag zijn prachtige ogen nog een keer zien, zijn observerende ernstige blik. Zijn twinkeling tegelijk van plezier of sarcasme… Ik hoor de stem in mijn hoofd die zegt, “Dat zul je niet meer zien”. En denk dan: “Hij zal niet meer zien”.. Ik sluit mijn ogen terwijl de tranen over mijn gezicht stromen.

Gewaarzijn, helder zijn het was nog nooit zo helder als op dat moment. Ik ben volledig hier en me bewust van mijn niet verder rijkende kracht dan hier overeind blijven. Ik voel mijn onvermogen om de anderen te troosten. Om ze te beschermen tegen dit onvoorstelbare verlies van onze zoon en broer, … Zijn we als mens wel opgewassen tegen dit soort pijn?

Dit bericht is geplaatst in activiteit. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *